Denken geworteld in het leven zelf – Kristof van Rossem

Sinds mijn kindertijd ben ik muziek aan het spelen, vooral piano en sinds vijftien jaar accordeon. Toen ik zestien was had ik een klasmaatje, Pascal. Samen maakten we bijna wekelijks op zaterdag opnames, experimentele elektronische muziek. Het waren de jaren tachtig en we wilden beter zijn dan ons grote voorbeeld de popgroep Depeche Mode. Op een maandagochtend zei ik tegen Pascal: ‘Het was fijn afgelopen zaterdag, maar we zijn nog niet klaar. Laten we volgende week verder werken.’ Hij: ‘Dat zal niet gaan. Ik heb sinds zaterdagavond een nieuwe vriendin en nu ben ik niet meer vrij. Ik moet met haar uitgaan.’ Ik herinner me nog dat ik naar huis fietste en onderweg dacht: dat kan toch niet waar zijn? Je gaat toch niet uit vrije wil je onvrijheid in? Hoe denkt hij eigenlijk over relaties? Dat was de start van mijn leven als ‘filosoof’. Ik wilde werk maken van wat mensen in hun hoofd halen en wat daar vervolgens in hun gedrag uit volgt.

Van mijn filosofiestudie aan de universiteit genoot ik en nog steeds vind ik het zeer verrijkend om filosofie te lezen en te bestuderen. Maar ik ben minstens evenveel geïnteresseerd in het spontane spreken en redeneren van mensen in mijn omgeving. Sinds begin jaren negentig heb ik er mijn beroep van gemaakt om tweegesprekken te voeren en in organisaties met medewerkers kwesties filosofisch aan te kaarten. Net als Socrates werk ik met toplui en met ‘marktlieden’ en ook met gedetineerden, zorgkundigen, politieagenten, leerkrachten, kinderen en jongeren, IT’ers, tandartsen, dokters, gespreksleiders en psychologen. Kortom, ik heb een breed werkterrein. Frans, Engels en Nederlands zijn mijn voertalen. Als voorbeeld van mijn bezigheden beschrijf ik twee gesprekken uit mijn praktijk.

De sessie met Catherine

Catherine is een Franstalige HR-directeur bij een grote firma in Luik. Voorafgaand aan het eerste gesprek had ik met haar een (gratis) intake waarin ze me vertelde dat ze in een relatiecrisis zit. Haar partner is vreemdgegaan en daardoor heeft ze er moeite mee ‘zichzelf terug te vinden’. Bij een psychotherapeut had ze al een consult gehad, maar de psychologische benadering beviel haar niet. Het prikkelde haar denken te weinig. Van een vriendin had ze gehoord dat ik degelijk werk lever.

In het eerste gesprek valt me op dat ze binnen de eerste vijf minuten tot vijfmaal toe de zinswending ‘J’ai l’impression que’ gebruikt. Ik vraag haar waarom ze dat doet. Ze schrikt, kennelijk is ze zich hiervan niet bewust. Ze zegt dat het met haar onzekerheid te maken heeft. Ik vraag of ze redenen heeft om onzeker te zijn. Is ze in haar job onzeker over haar oordelen, is ze onzeker over haar eigen levenswandel? Ze ontkent dat. Ik stel haar voor om dat vervolgens niet meer te doen: geen introducties meer, maar gewoon zeggen wat je te zeggen hebt. Consequent heeft ze zich aan onze afspraak gehouden. Later zei ze dat dat echt een leermoment was geweest: ze had zich door zo te spreken onterecht lager gepositioneerd dan ze zelf wou.

Een socratisch gesprek over godsdienst

Een groepje managers van een zorggroep huurde me in. Allemaal mannen, verantwoordelijk voor de goede gang van zaken in een ziekenhuis, in een woon- en zorgcentrum, een opvangcentrum of in een asielcentrum. Wat ze met elkaar verbond was een verleden dat gelieerd was aan het katholicisme. Alle instellingen waar ze gewerkt hadden, werden namelijk door paters geleid. Maar de tijden zijn veranderd en ze wilden weleens weten of er nog iets katholieks in hun werk te bespeuren viel. Aanleiding was onenigheid over de missie- en visieteksten waarin nogal wat stichtelijk taalgebruik te vinden was. Dus men dacht: laat ons daar eens een filosoof met een neutrale kijk op zetten om dit met ons te onderzoeken en te bevragen.

Ik zocht naar een casus waarin de vraag ‘zijn we nog christelijk/katholiek of niet?’ aan de orde kwam. Meteen zeiden ze allemaal: ‘Een Mariaviering of kerstviering in onze instellingen is te evident. Laat ons eens zoeken naar een andere meer spannende case.’ Jan kwam met het verhaal van een dakloze die in zijn instelling op een avond kwam aankloppen. Hij wilde een bed voor een nacht. De portier heette Pierre en werkte ook als econoom in de instelling. Pierre weigerde het verzoek, omdat er geen bedden beschikbaar waren. Op de teamvergadering die dag stelde Jan de kwestie aan de orde: ‘Wie zijn wij als christelijke Instelling als we zo’n verzoek niet goedkeuren?’ En zo geschiedde: de volgende nacht had de econoom/poortwachter de dakloze toegelaten en mocht hij in het huis slapen. Ik vroeg naar de motieven van Jan om dit op de vergadering zo te stellen.

Jan: ‘Het zijn altijd de economen die het beleid maken in onze instellingen, terwijl iemand aan de deur laten staan tegen het evangelisch ideaal ingaat.

Dus ik wou aan de econoom eens laten zien wie hier de baas is!’

Ik, de onderzoeksvraag indachtig: ‘Spelen hier voor jou zelf ook christelijke motieven mee?’ Jan (stellig): ‘Nee hoor, ik wou gewoon eens laten zien wie hier de baas is en ik wou ook laten horen dat er meer is dan geld als motief.’

Ik vroeg de deelnemers om te zeggen wat zij van deze casus vonden. Was dit een teken van het christelijk karakter van de instelling of niet. De meerderheid volgde Jan in zijn oordeel: het was wel de spirit maar expliciet christelijk kan je dit niet noemen.

Toen kwam Mario aan het woord (plechtig): ‘Collega’s, we verliezen in het verhaal van Jan een belangrijk aspect uit het oog. Toen Jan ‘ja’ zei en Pierre de man binnenliet, was God aan het werk. Hij deed Zijn werk door de handen van Pierre. Het was de hand van God.’

Ik vroeg wat de andere collega’s hiervan vonden. Er viel een stilte. Collega Luc nam het woord: ‘We weten dat Mario hier zo naar kijkt. Ik respecteer zijn visie. Het is een mooie manier om er op die manier naar te kijken.’

Ik: ‘Maar ben je het met hem eens als hij zegt dat God hier aan het werk was?’ Luc: ‘Nee, ik zie dat niet zo, maar dat is zijn perspectief en ik respecteer dat.’

Toen sprak Mario de gevleugelde woorden: ‘Ja maar Luc, dat is niet zomaar een perspectief hè. Dat is het werk van God!’

Ook al dacht ik in mijn achterhoofd Oh My God, toch bleef ik onbewogen. Ik vroeg aan Jan: ‘Ben jij het eens met Mario dat het de hand van God was?’ Jan zei ongeveer hetzelfde als Luc: ‘Ik weet dat Mario hier zo naar kijkt en daar heb ik respect voor.’

Ik: ‘Heeft hij gelijk volgens jou, werkte God door de handen van Pierre?’ Jan: ‘Nee, ik heb dat zelf zo beslist en Pierre heeft dat gewoon uitgevoerd.’ Mario, enigszins opgehitst: ‘En toch is dat zo!’

Ik: ‘Hoe komt het dan, Mario, dat al jouw collega’s dit niet volgen? Zelfs Jan, die erbij betrokken was, ontkent dat.’

Mario: ‘Dat is omdat ze daar niet voor openstaan.’

Ik: ‘Waar staan ze dan niet voor open?’ Mario: ‘Voor deze dimensie. God is hier aan het werk. Je moet daarvoor openstaan om dat te zien.’

Dat was pas een Götterdämmerung in dat zaaltje in Gent! Als socratisch gespreksleider zat ik met de handen in het weinige haar dat ik nog had. Wat nu te doen? Wat doe je met een standpunt als ‘je staat daar niet voor open’? Dat is orakeltaal, het is voor ingewijden. Hier is geen waarheid zoeken meer mogelijk. Ik stelde een pauze voor om even bedenktijd voor mezelf te kunnen organiseren.

Na de pauze kwam ik met het volgende: ‘Schijf eens op: toen Jan de opdracht gaf aan Pierre om de man toe te laten was dat typisch christelijk want … En schrijf je argumenten daarachter.’ Ook Mario deed mee. Nadien vroeg ik om de flipovers met de opmerkingen aan de muur te hangen. Er hingen acht flappen naast elkaar waarvan de enige, die van Mario, als statement had dat het typisch christelijk was.

In het gesprek nadien hoorde ik Mario op een bepaald moment letterlijk zeggen: ‘Ik zie mijn argumenten niet terugkomen in het perspectief van Johan.’ (Een van de andere managers) Ik vroeg: ‘Wat is dan het verschil met jouw perspectief?’ Mario antwoordt: ‘In zijn argumenten verwijst Johan niet naar onze christelijke traditie, ik wel.’

Ik: ‘Mario, zeg je nu dat jouw visie ook een perspectief is?‘ Mario: ‘Ja.’

Ik: ‘Dan ben je van mening veranderd, een half uur geleden zei je dat is niet zomaar een perspectief was.’

Hij bond in: ‘Ja, het is een perspectief.’

Het gesprek werd niet lang daarna afgerond. Het ‘probleem Mario’ was niet opgelost en zijn mening was ook op de inhoud niet veranderd. Maar iedereen was tevreden dat de rede het deze keer van de emotie had gewonnen. Dit onderwerp, zo bleek achteraf, was al jaren vermeden uit angst dat het te emotioneel of persoonlijk zou worden

Vragen naar beneden

De kern van mijn werk bestaat uit gespreksvoering, met mezelf, met individuen en met groepen. In zo’n gesprek speelt de relatie tussen de gesprekspartners een belangrijke rol. Je kunt focussen op wie je collega is of op wie je zelf bent. Je kunt zicht krijgen op je rol, je drijfveren en je waarden. In het gesprek over godsdienst gebeurt dit ook als de collega’s tegen Mario zeggen ‘dat ze weten dat dat belangrijk voor hem is en hem hierin respecteren’.

In veel organisaties is dat al heel wat. Je kunt in een gesprek ook de klemtoon leggen op hoe de mensen erbij zitten, op je beleving en op die van de anderen. Het doel is dan niet zicht te krijgen op drijfveren of inzet, maar op welbehagen, verbinding, begrip. Ook dit heeft veel waarde.

Hoewel ik met deze aspecten ook rekening houd in een gesprek (ook met mezelf), ben ik als filosoof toch vooral nieuwsgierig naar wát iemand dan zegt en welke woorden iemand daarvoor gebruikt. Wie Catherine als persoon is, hoe haar relatie in elkaar zit, wat haar welbevinden op het werk is, interesseert me in eerste instantie niet. Ik luister oppervlakkig naar wat ze zegt en stel daar een vraag over. De spontane taal is immers de meest voor de hand liggende toegangspoort tot het denken van de cliënt. Het taalgebruik inclusief de kleine woordjes, dáár heb ik een vraag over: ‘Waarom gebruik je in deze vijf minuten vijf keer ik heb de indruk dat?’ Zo interesseert het mij ook minder wat Pascal bedoelt als hij zegt ‘ik ben niet meer vrij’ of hoe hij zich voelt. Ik wil ook niet per se dat hij weer met mij muziek gaat spelen (echt goed was hij toch niet). Het gaat om deze letterlijke uitspraak zelf. Waar blijkt dat uit dat hij ‘niet meer vrij is’ en zijn er goede redenen om aan te nemen dat dat zo is?

De eerste vraag is een vraag naar beneden. Ik ben heel benieuwd hoe mijn gesprekspartner de realiteit interpreteert en of deze interpretaties ook voor anderen toegankelijk zijn. Wordt er iets in de realiteit aangetoond waardoor anderen die interpretatie kunnen delen of weerleggen, en hoe kan je helder zijn in je taal, zodat er openheid en nuance ontstaat. Als iemand zegt dat hij diepe gesprekken heeft gevoerd met zijn cliënt, dan ben ik erg geïnteresseerd wat daar dan aan de hand is geweest op basis waarvan hij gesprek X of Y diep noemt. Dit is voor mezelf en voor anderen vaak een ontnuchterende ervaring: onze interpretatie is gekleurd door fantasie, verlangens, emoties. Vaak blijkt de heel vervelende collega toch niet zo vervelend te zijn, maar ben jij het die het met sommige aspecten moeilijk heeft. Het effect van naar beneden vragen is dat de uitspraken juister zijn, dat ze meer waar zijn, dat ze door anderen ook als waar kunnen worden geaccepteerd.

Filosofie in de praktijk

Je kan ook vragen aan Pascal wat nou de reden is om wat hij meemaakt met ‘minder vrij zijn‘ te associëren. Waarschijnlijk zal dat gaan in de richting van een aanname dat, als je van iemand iets moet (in dit geval uitgaan), je dan minder vrij bent. Is dat zo? Welk idee van vrijheid zit achter zijn bewering? Waarom sluit dat moeten uit? Dit is vragen naar boven. Ik vraag door naar de verzwegen argumenten en vooronderstellingen die gelinkt zijn aan de spontane manier van redeneren van mijn partner. Dat laatste is essentieel om van ‘filosoof in de praktijk’ te kunnen spreken. Ook al heb ik heel wat theorieën over de vrijheid gelezen, ik zal ze niet aan Pascal vertellen. Ik wil weten hoe hij spontaan denkt en wat zijn associaties zijn.

Achter deze aanpak zit de vroedvrouw-idee van mijn werk als filosoof in de praktijk. Mijn gesprekspartner is zwanger van opvattingen. Ik heb daar inhoudelijk niets aan toe te voegen. Ik heb al mijn aandacht nodig om scherp te kunnen luisteren naar de vorm van wat er langs komt. Vertelt mijn cliënt een verhaal, is het een opvatting of zoals bij Mario zelfs helemaal geen opvatting? Geeft hij een argument? Is hij stuntelig in zijn spreken of juist heel vlot? Ik beluister dat, ik neem dat waar en ik onthoud alles. Dan heb ik daar vragen over. Ik vraag door naar de samenhang, de onderscheidingen, de synoniemen die de ander zelf gebruikt. Dit is ook een ontluisterende ervaring, want die samenhang is er vaak niet of het blijkt dat heel wat principes niet overeenkomen met een spontane manier van spreken of denken. Het effect van naar boven vragen is dat de gesprekspartner zijn bovenkamer onder de loep neemt en zo mogelijk opschoont. Hij wordt zich bewuster van zijn denken en gaat daardoor ook beter denken: consistenter, bewuster, actiever.

Filosofie in het leven zelf

Wat ik in dit artikel doe, is verhalen vertellen over wat er gebeurt in gesprekken die ik voer. Dat is een vorm van filosofie bedrijven die aansluit bij een traditie waarin filosofie geen theoretisch geheel van teksten is. Mijns inziens is de reden waarom Plato in plaats van leerstellingen Socrates als hoofdpersonage opvoert deze: hij wil tonen wat er kan gebeuren als je Socrates in Athene tegenkomt. Je wordt dan door elkaar geschud, ook al ben je zoals Alcibiades de machtigste man van Athene. En waartoe? Nergens komt er bij Plato aan het eind van zo’n dialoog een eensluidende definitie uit de bus. Het leven gaat gewoon door, het onderzoek is niet af. Het stopt gewoon, omdat de gesprekspartner weg moet. Geniaal!

Een tekst is maar wat hij is, het wilde denken in de ervaring van elke dag ontsnapt daar per definitie aan. Ik wil in die jungle van verwarde gedachten en zinnen mijn werk kunnen blijven doen. Het mag ook een ‘hooggebergte met ijle lucht’ zijn (Nietzsche), als het maar geworteld is in het leven zelf. Bij denkers zoals Kierkegaard, Nietzsche, Deleuze, Braidotti (mijn favoriet), maar ook bij een praktisch filosoof als Brenifier zie ik hetzelfde als wat ik doe: zij werken zichzelf en anderen voortdurend op de zenuwen. Ze verhogen met hun denken de intensiteit van het leven. Dit soort denken maakt je leven dieper, bewuster, voller. Het is een voortdurende passie die je toelaat om én muziek te blijven spelen én om uit te gaan met je vriendin!

Dit artikel downloaden als pdf.

Auteur