De filosofische praktijk: tastend, bevragend en zoekend, bovenal bescheiden? – Ronald Wolbink

De VFP heeft een kleurrijke geschiedenis waarin het ‘praktisch maken’ van de filosofie een rode draad vormt. Maar ‘wat is praktisch?’ en ‘wat is filosofie?’, dat zijn vragen die meteen al boven komen drijven als je twee filosofen bij elkaar zet. Vragen die al speelden toen Ad Hoogendijk het boekje Spreekuur bij een filosoof, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, publiceerde en die nu nog steeds spelen in de VFP. Want het vragen stellen bij het vanzelfsprekende zit elke filosoof in het bloed. Dit vormt de praktische filosofie en daarmee het bestaansrecht van de VFP en het is tegelijk een levensgrote valkuil als de implicaties ervan niet doorzien worden. Want het kenmerk van een beroepspraktijk, zoals die van een arts of een advocaat, is een geheel van door de betreffende groep beroepsbeoefenaars geaccepteerde vanzelfsprekendheden, die noodzakelijk zijn om te kunnen functioneren als een praktijk en om een gemeenschap te vormen van beroepsbeoefenaren. Maar is dan een filosofische praktijk, gekenmerkt door en voortgedreven door het stellen van vragen bij alle mogelijke vanzelfsprekendheden, daardoor niet een onmogelijkheid? Is er dan nog gemeenschappelijkheid mogelijk? Is een vanzelfsprekende en geaccepteerde praktijk daardoor niet een onmogelijkheid? En is de VFP eigenlijk zelf daardoor niet één groot vraagteken? Vanwege deze ingebouwde, en al te vaak, niet onderkende, en wellicht onbeoogde, zelfdestructiviteit?

Klik hier voor het volledige artikel: Filosofie & Praktijk Katern VFP, oktober 2014